Staat van het circus

Tijdens This is not a circus (12-15 januari 2023 in Theater Bellevue) sprak Maartje Bonarius de tweede Staat van het Circus uit. Lees hier de volledige tekst.

Twintig jaar geleden maakte ik m’n allereerste salto. Ik zag andere kinderen een salto maken en dacht, dat wil ik ook. Dus ik stapte op de trampoline en begon te springen, hoger en hoger, ik bereidde me voor en op het hoogste punt bracht ik zo hard mogelijk m’n knieën naar m’n hoofd. BAM. Overal bloed. Een flinke bloedneus. M’n tweede salto sprong ik op de circusopleiding.

Tien jaar geleden studeerde ik af, met één van de eerste lichtingen circusalumni in Nederland. Net als m’n klasgenoten vertrok ik naar het buitenland, in mijn geval naar Frankrijk. In Nederland was geen infrastructuur, geen support, je moest het wiel zelf uitvinden. Ik herinner me dat ik in een buitenwijk van Toulouse een enorm abstracte, bevreemdende circusvoorstelling zag. Maar bijzonderder dan wat er op het podium gebeurde, was het feit dat al deze totaal verschillende mensen met verschillende achtergronden, samen kwamen om te kijken naar deze ondoorgrondelijke voorstelling, en dat na afloop iedereen zich tot z’n buren wendde en een gesprek begon over wat ze zojuist hadden gezien. Dit, de manier waarop deze verscheidenheid aan mensen werden geraakt en met elkaar in gesprek gingen door circus, wilde ik ook voor Nederland, en dus kwam ik terug.

En ik was niet de enige. Hier in de zaal zitten ontzettend veel Nederlandse circuspioniers. Eigenlijk zijn we allemaal op onze eigen manier de mat op gestapt en zijn we zonder veel ervaring zomaar gesprongen, hebben we geprobeerd een eigen salto te maken, en zijn er voor gegaan – omdat we allemaal vergelijkbare dromen delen voor Nederlands circus.

Vandaag is me gevraagd om iets te zeggen over waar we staan als Nederlands circusveld. Om echt te zien hoe het gaat vindt ik het persoonlijk fijn om terug te kijken waar we vijf of tien jaar geleden stonden. En zo terugkijkend denk ik dat we heel trots op onszelf kunnen zijn. Kijk waar we staan! Al die dingen die we toen wilden als sector, speelmogelijkheden, erkenning van fondsen, van de rest van de het culturele veld, ondersteuning, het is er nu.

Tijd voor nieuwe en verdere sprongen. Maar waar we bij onze eerste salto’s maar één doel hadden: niet op ons hoofd vallen (geen bloedneus), hebben we nu wat meer ruimte om na te denken over hoe we precies springen, waar we heen draaien, en hoe we landen.

En daar is wat mij betreft nog heel wat te winnen. En dat begint al bij de afzet. Benjamin benoemde het vorig jaar al, we gebruiken het klassieke circus niet echt als basis. Maar wat mij betreft heeft het klassieke circus ons veel meer te bieden dan mooie trucs. Ik vind dat we best een voorbeeld mogen nemen aan hoe artiesten in het klassieke circus tot op hoge leeftijd blijven optreden, terwijl hun lijf verandert. En wist je dat het de klassieke circusvrouwen waren die een eeuw geleden voorop liepen in de strijd voor emancipatie en stemrecht? Zij verdienden hun eigen geld en werden gevierd om hun kracht en hun prestaties. Wat dat betreft is het verdrietig om te constateren dat niet alleen het klassieke circus, maar ook het hedendaagse veld honderd jaar later nog steeds een hoop werk te doen hebben. Wij, als vrouwen, hebben ook nu nog wat te winnen als het gaat om hoe vaak en in welke rol we op het podium staan.

En we weten allemaal hoeveel er nog moet gebeuren als het gaat over andere vormen van diversiteit.

De nieuwe generaties artiesten die afstuderen van de HBO’s hoeven niet meer te springen vanaf de harde grond. Er is geld, er zijn talentontwikkelingsprogramma’s, er zijn structuren, trampolines. Mooie grote, om je goed af te kunnen zetten. Talenten beginnen zelfs te kunnen kiezen: welke trampoline is luxer, duurder, waarmee kan ik nog hoger springen? Maar toch vraag ik me af. Zijn die glimmende trampolines wel zo stevig, of gaan ze maar één jaar mee en moet je je daarna zelf zien te redden? 

Dankzij die mooie faciliteiten springen meer en meer circusmakers hoger en krijgen daarna applaus, ze worden gezien. Maar het gevaar is dat we degenen die het zonder trampoline moeten stellen vervolgens links laten liggen en onszelf daarna feliciteren omdat we de ‘juiste nieuwe talenten’ hebben gekozen. En wat gebeurt er met degenen die struikelen, die meer tijd nodig hebben of die op hun nek landen? Heeft iedereen wel een eerlijke kans om mee te springen? Waar zijn de artiesten met andere lichaamstypes? Wat hebben we nodig om duurzaam te kunnen werken? Dit zijn de vragen die we onszelf zouden moeten stellen.

En belangrijker nog is de vraag, waar zetten we die trampolines neer? Alleen in het theater, omdat we daarmee als kunstvorm erkend worden, terwijl maar 15% van de Nederlanders ooit een schouwburg bezoekt? Of liggen de meest relevante speelplekken elders? Op straat bijvoorbeeld, op de pleinen in de buitenwijken waar het klassieke circus wel komt?

Vroeger dacht ik dat circus gaat over het bovenmenselijke, over de ‘human potential’, maar wat mij betreft gaat het mooiste circus over falen. Dat je iets keer op keer probeert, dat je twijfelt of iets lukt: gaat dit lijf dat kunnen? Dán gaat het over menselijkheid. Dát is wat mij als maker raakt. Het publiek staat er zelden bij stil, maar 90% van circusartiest zijn is falen, vallen, opnieuw proberen. Het is de enige manier om trucs te leren.

Als circusartiest gaat het zo erg over presteren met je lijf, afhankelijk zijn van je lijf, maar wat als je lijf faalt? Wat blijft er dan nog over? En is dat ook nog circus? De laatste jaren heb ik zelf aan den lijve ondervonden hoe het is om te falen. Ik kreeg een zenuwstelselaandoening en kan nooit meer een echte salto maken. Dit heeft me gedwongen mezelf op een andere manier te uiten. Ik ben helemaal geen prater. Daar, in de lucht is waar ik thuis hoor. En nu zit ik hier voor jullie, de popcorn te verkopen, hakkelend op mijn manier een verbale act op te voeren. Kijk mij eens falen. En toch weer doorgaan.

Natuurlijk hebben we successen nodig, voorbeelden, voorstellingen die iedereen prachtig vindt. Maar de mislukkingen zijn minstens even belangrijk als we echt vooruit willen komen. En juist dan hebben we mensen nodig die vangen, die klaar staan, die je overeind helpen, in plaats van door te lopen of te gaan kijken naar de ander bij wie het wel lukt. We moeten de tijd durven nemen voor échte ontwikkeling, en het publiek meenemen op die reis.

Nu. Dit is het moment om te kijken hoe we verder gaan. Voordat we stabiliseren als sector, nu we nog de kans hebben om te bepalen hoe we ons wortelen. Om me heen zie ik iedereen rennen. De klassieke circussen rennen om overeind te blijven. De hedendaagse voor erkenning van de fondsen. De jeugdcircussen en het straattheater hebben we ondertussen al lang ergens achtergelaten. Het lijkt wel alsof ze er niet toe doen, terwijl we ze keihard nodig hebben om een diverser circus te krijgen. Om iedereen te bereiken. Om plekken te hebben waar je veilig op je bek kunt gaan om vanuit daar weer te groeien.

Het ding is, we zijn met niet zo veel. We passen met z’n allen in een klein theaterzaaltje. We hoeven geen concurrenten te zijn. Nederland is groot zat, kijk hoeveel theatergroepen er bestaan. We kunnen nu nog stoppen met rennen en beslissen om samen de chapiteau op te bouwen, om degenen die het niet bij konden houden er ook bij te betrekken. De jeugdcircussen, de autodidacten, de organisaties zonder subsidies, de vreemde eenden in onze bijt. Als circus een plek is waar buitenbeentjes zich thuis voelen, kunnen wij als vorm dan niet een buitenbeentje zijn in het kunstenveld. Laten we investeren in relaties onderling, in écht duurzame manieren om het veld op te bouwen, laten we koesteren wat er al is, wat er al was, en laten we dat ook verwachten van de nieuwe generaties maker. Wat kunnen we verder nog buiten het creëren van nog meer prachtig bewegingsmateriaal.

En vooral, laten we niet over tien jaar terugkijken en ons afvragen hoe het toch komt dat alles is zoals het is. Als ik over tien jaar kijk hoop ik dat niet opvalt hoe mooi de salto’s zijn, maar hoe duurzaam het Nederlandse circus is geworden, hoe divers, en dat we dat dan samen hebben gedaan.